Was braucht die Frau

Opdrachtgever: n.v.t.
Jaar: 1989
Locatie: Durendael scholengemeenschap Oisterwijk

Voor het beeld Was braucht die Frau ? is een plaat ijzer met een onregelmatig vloeiende contour gewalst in de conisch toelopendewanden vorm van een ijshoorntje; hij staat met de opening naar beneden, enigszins uit het lood.De plaat is diepzwart gespoten. Over het hele oppervlak ervan steken veerachtige vormpjes, waarvan de contouren in de plaat zijn gesneden, enigszins buiten het vlak, dat daardoor en zekere levendigheid krijgt.Aan de voorzijde blijft een spleet open waardoor je naar binnen zou kunnen kijken, ware het niet dat je wordt tegengehouden door lichtblauw rubberen linten, die uit de veertjes naar buiten golven en op de grond een soort slotgracht vormen. Het beeld maakt, ondanks zijn wat dreigende karakter van scheve toren en zwarte kleur, een vriendelijk ronde, zelfs elegante indruk.

Auteur: Guus Vreeburg, kunsthistoricus

Een uitdagende ambiguïteit beheerst de beelden van Tine van de Weyer. Dikwijls is het dubbelzinnige nauwelijks te definiëren, soms krijgt het de scherpte van en polariteit. Zo is een kegelvormig in elkaar gedraaide ijzerplaat het materiaal waarmee een vrouw wordt aangeduid. De titel is een vraag, namelijk; ‘Was bracht die Frau ?’; een antwoord in metaal zou allerminst bevredigend zijn en gaat voorbij aan de associaties die het beeld, blijkens een aantal ongewone toevoegingen, wil opwekken. Het zware metaal is op regelmatige afstanden opengeknipt volgens de omtrek van een boomblad of een vogelveer.. Zo krijgt de antropomorfe kegel het aanzien van een bladeren jas of en mantel van veren en zijn we binnen de contouren van een dagdroom belandt. Dat voorgevoel wordt versterkt omdat de vrouw zich rijkelijk heeft getooid. Blauwe rubberen linten, met golvend gesneden randen, steken hier en daar uit de veertjesspleten vormen op de vloer de zomen van een denkbeeldig overkleed. Worden we hier geconfronteerd met een vogelvrouw, een mythisch wezen, dat ergens in ons onderbewuste een geheimzinnig bestaan leidt? Of wil dit beeld een allegorie zijn van de vier elementen , en staat het metaal voor de aarde, de verren voor de lucht, het blauwe rubber voor water en de op een lekkende vlam gelijkende gestalte voor vuur? Het aantrekkelijke van de sculptuur is haar vlinderachtige onbepaaldheid die lijnrecht in tegenstelling is met de onverzettelijkheid van het industriële metaal.
Het is ook door middel van die vlinderachtige onbepaaldheid dat de kijker een in staat wordt gesteld eigen betekenissen te ontwikkelen, die een grote vlucht kunnen nemen en vaak voldoende hebben aan de materiële tegenstelling tussen keihard ijzer en traag-soepel rubber.
Tien van de Weyer heeft vaker beelden gemaakt waarvan de essentie berust in tegenstellingen van materiaal, richting , kleur of beweging. Ook heeft ze eerder het starre karakter van metaal doorbroken om daarmee te refereren aan een verlangen naar vliegen. Niet alleen draagt de transparantie bij aan het idee van verminderde stoffelijkheid, de sculpturen wekken in hun onderdelen ook vaak associaties op met vleugels. Met onverschrokken verbeeldingskracht heeft deze kunstenares een aantal buitenbeelden gerealiseerd, die ondanks hun materiële zwaarte ons willen doen geloven dat ze op het punt staan zich van de aarde los te maken. Vaak is de behandeling van de huid ( een coating van blauwgroene hamersslagverf bijvoorbeeld) een bijkomende factor in de visuele verbinding van het soortgelijk gewicht.

Het omvangrijke beeld ‘Hebban olla Uogala’ heeft met ‘Was braucht die Frau?’ gemeen dat het uit weinig romantisch materiaal is gemaakt – opnieuw metaal – terwijl het toch heel tedere associaties uitdraagt. De titel is ontleend aan de beginregel van een Middelnederlands liefdesgedicht( Hebben alle vogels een nest) en refereert zoals Cees Straus in Trouw (25-3-1988) heeft geschreven, aan de verbintenis tussen man en vrouw. De vijfhoekige vorm vertolkt, als optelsom van twee en drie, even en oneven, het vrouwelijke en het mannelijke. Opnieuw is het plaatijzer geperforeerd, maar de ‘’ veertjes’ zijn nu geheel weggesneden, en dat brengt een open structuur teweeg. Niettemin wordt het idee van vliegen hier geweld aangedaan door de gelijk een zandloper gespiegelde vorm. Deze symmetrie begiftigt het beeld met een statische raadselachtigheid – alsof zich, achter al die voiles, de geest van de beeldhouwer schuilhoudt, bezig zich te verzoenen met de onvermijdelijke tweespalt tussen aarde-gebonden en ruimte-gerichtheid.

De paradox wil dat Tine van de Weyers tekeningen een monolithischer karakter hebben dan haar beelden. Met pastelkrijt worden tamelijk besloten vlakken ingevuld. De afdekkende poederachtige textuur laat van nature geen met de beelden vergelijkbare transparantie toe. De sporen van figuratie zijn soms herkenbaar (een etensbak) en soms kwestieus (zien we een hond?) Van de tekeningen gaat eenzelfde evocatieve ambiguïteit uit als van de beelden. En dat betekent voor de verbeelding een grote vlucht (TR)

Uit: ‘Het vanzelfsprekende, een object van observatie’ catalogus expositie Gemeentemuseum Roermond 1990
auteur: Tineke Reynders, kunsthistoricus

Aangekocht door 2College Durendael scholengemeenschap Oisterwijk

Ontwerp: