Bij het uitbreken van de W.O.1 in 1914 werd Theo van Doesburg (Utrecht, 1883 – Davos, 1931) ingekwartierd onder de rook van Tilburg op de Regte Heide aan de Belgische grens. De gruwelijke ooggetuigenverslagen van Belgische vluchtelingen schokten hem hevig en hij verloor al zijn vertrouwen in de mens en zelfs in het geloof zoals hij het kende. Zijn oude vriend Maurits Manheim stelde hem in het najaar van 1914 voor aan de in Tilburg woonachtige en werkzame spoorwegbeambte, schrijver en pianist Antony Kok.
Waar nu Hotel Central staat was destijds Hotel-Café-Restaurant Albert Janssen gevestigd en Manheim, Kok en Van Doesburg organiseerden er begin 1915 zogenaamde soirées intimes, met muziek en experimentele gedichten. Met Kok besprak Van Doesburg ook de mogelijkheden van een literaircultureel tijdschrift (het latere tijdschrift De Stijl). Vanwege zijn kennis van zaken werd Van Doesburg door Sophie Taeuber-Arp gevraagd haar te helpen met de opdracht van de restauratie van de rechtervleugel van het beroemde L’Aubette in Straatsburg.
Met zijn geometrische en diagonale vlakken vormt het ontwerp van Van Doesburg voor L’Aubette het stralend hart van de kamer die naar hem is vernoemd. De quote als fries tegen het plafond is een citaat uit een brief van Theo van Doesburg aan zijn boezemvriend Antony Kok waarin hij zijn liefde voor zijn tweede echtgenote Lena Milius memoreert met: ‘Ik denk voortdurend aan verleden jaar toen ik nog in Tilburg was, het leven daar zo zorgeloos en vrij met Lena altijd bij me lijkt me een onberekenbaar geluk. Wat wilden wij feitelijk nog meer ?’ Een opmerkelijke overeenkomst met de quote die koning Willem II in 1835 over de stad Tilburg uitsprak: ‘Hier kan ik ademen, hier ben ik vrij.’









